zoek login
logo

de dingen die voorbijgaan

home  >  voorstellingen  >  de dingen die voorbijgaan  >  synopsis


programmaboek 17|18
Blader door het programmaboek door op onderstaande afbeelding te klikken of download als pdf.


Toen Louis Couperus (1863-1923), de grootste romanschrijver die Nederland heeft gekend, in slechts vier maanden tijd Van Oude mensen, de dingen die voorbij gaan schreef,  stond de grote Nederlandse schrijver op een keerpunt in zijn leven. Het was 1904, de schrijver woonde met zijn vrouw in Nice. Hij leek Den Haag, de stad waar hij was opgegroeid en waarmee zijn naam voor altijd verbonden zou blijven, voorgoed achter zich te hebben gelaten; de jaren erna zou hij naar Italië reizen, het land dat hij als zijn natuurlijke thuisland beschouwde,  in de verwachting dat hij daar zou blijven. Zijn vader, een hoge koloniaal ambtenaar, was gestorven. En Couperus zelf, getrouwd met zijn nicht en homoseksueel, was onmiskenbaar niet langer jong. Hoewel de schrijver juist in die jaren artistiek zijn meest vruchtbare periode beleefde, en de ene meesterlijke roman na de andere publiceerde, leek zijn publiek zich van hem te hebben afgekeerd – zijn uitgever in Amsterdam bleef hem trouw, maar probeerde zijn manische productiviteit af te remmen en zijn voorschotten te verlagen. Hij verkocht gewoon niet meer. De tijd van zijn grote successen, zoals de roman Eline Vere (1888) leek voorgoed voorbij. Ook Van Oude mensen, de dingen die voorbij gaan, dat tot zijn beste werk behoort, zou commercieel een flop blijken. Het werd tijdens het leven van Couperus niet herdrukt.

In zijn laatste ‘Haagse’ roman staat dan ook alles in het teken van het besef van vergankelijkheid. De oude mensen in de residentie sterven tergend langzaam af, plichtmatig gesteund door hun familieleden, die ze gijzelen met ‘het Ding’ – het slecht bewaarde familiegeheim dat door alle relaties heen spookt. Dat geheim is een crime passionel, een moord uit hartstocht, gepleegd in Nederlands-Indië. Net als in De stille kracht (1900) is Indië ook in deze roman een plaats waar de westerse mens losraakt van zijn vertrouwde omgeving, die hij beschaving noemt. In Den Haag is de moord beschaafd toegedekt, maar de herinnering eraan werkt door in de relaties tussen de verschillende families, die gissen en fluisteren.

Maar Couperus is geen moralist en anders dan bijvoorbeeld Dostojevski gaat het bij hem niet over schuld en boete. De moord staat in deze roman nu juist voor iets dat zich volledig onttrekt aan menselijke zelfbeheersing en ratio, aan fatsoen en beschaving. De moord is een uiting van onbeheersbare passie – en ‘het Ding’ dat door de beschaafde, afstervende families in het keurige Den Haag spookt is niets anders dan de herinnering aan die onmiskenbare vitale gruweldaad die de levens van deze mensen in hun greep houdt.
Met een voor die tijd ongehoorde bravoure confronteert Couperus de burgerlijke wereld waaruit hij zelf afkomstig was met onderhuidse, onbedwingbare driften.

Alles in deze roman over stokoude mensen wordt gekleurd door seks, dat is wat ook voor lezers in deze tijd nog altijd verbluffend is. Zelfs de personages die hun gevoelsleven onderdrukken, zien alles in seksuele termen, zoals de zwaar godsdienstige tante Stefanie: ‘Want de dingen des vlezes, zelfs onder de sanctie van het huwelijk, vond zij toch altijd wel enigszins zondig, en haar katers had zij ook altijd laten opereren: katten die zo dol en hysterisch doen, tweemaal in het jaar, in de goten der daken, had ze nooit bij zich geduld en verkneuterende voldoening had zij een opgelet in haar kooitje, dat twee mannetjes-sijsjes zich vergisten, en niet begrepen waarom zij niet paren konden, tot dat zij, na vergeefse liefde en weemoedig gepiep, heel stilletjes naast elkaar op hun stokjes waren gaan zitten en zo hun kooivogeltjes-leven gesleten hadden, met treurige oogjes, trots klontjes suiker en blaadjes sla. Net goed, had tante gedacht, en toch hield ze wel van haar vogeltjes.’

Is de seksuele frustratie van tante Stefanie en haar homoseksuele vogeltjes in hun kooi nog aanleiding voor tragi-komische ironie, bij haar broer Anton betreedt Couperus gevaarlijker terrein. Anton Derckz is de vieze oom van de familie; hij heeft boeken met platen van Pompeiiaanse orgieën achter in zijn boekenkast verstopt, die tijdens een bezoekje tot haar niet-begrijpende ontsteltenis ontdekt worden door de preutse Stefanie. Zijn eigen seksleven is duister en illegaal. Wanneer hij, als erfoom, tegen zijn zin op babybezoek moet, rijdt hij onderweg in het rijtuig ter compensatie tegen zijn achttienjarige nichtje aan. ‘Hij stelde zich schadeloos, door warmpjes tegen Lili zijn knieën te leunen en haar fris lichaam te voelen… zijn ogen troebelden.’

Oom Anton is ook de eerste, en wellicht de enige pedoseksueel in de Nederlandse literatuur. Couperus is hier totaal onverbloemd over en dat veel van zijn latere lezers hier overheen hebben gelezen, zegt meer over hen dan over de schrijver. ‘Hij had een afkeer van pas geboren kinderen, hoewel hij kinderen als ze een paar jaar waren, wel eens héél lief had gevonen… Het troebelde hem voor de ogen, maar hij beheerste zich in zijn sombere drift en in de modder van zijn gedachten.’ En voor het geval het niet begrepen wordt, even verderop: ‘En bijna had hij, oud als hij was, een heel beroerde zaak gehad: handtastelijkheden die hij zich nog had vergund op het kleine meisje van zijn wasvrouw.’

Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan is doortrokken van drift en lust – en de wrange weemoed over het onherroepelijk afsterven van die emoties. Overspel, seksuele chantage, moord uit hartstocht, pornografie, pedofilie, onwelvoeglijke betastingen, onanie, onderdrukte hysterie – achter de schijnbaar onaangedane façade van het bedaarde Haagse leven woedt een storm van wellust. De moord die hun leven in zijn greep houdt, is een uiting van wat zij, beschaafde mensen, het liefst niet onder ogen zouden zien: ‘Geen mensen, geen mannen meer, maar beesten, die om een wijfje vechten.’

De moordzuchtige passie tussen de twee stokoude mensen die het middelpunt van de roman vormen, roept bij hun nakomelingen verschrikking op, maar ook fascinatie. Lot Pauws, de jonge passieloze beschouwer kan er niet bij: ‘Die oude mensen: dát te geloven als je ze nu ziet! Liefde …passie… in die oude mensen te moeten begrijpen!’ Zijn eigen moeder is drie keer getrouwd en zit nu vast in een ongelukkig huwelijk. De stiefvader van Lot zegt tegen hem: ‘Wij blijven samen om niets. Om dingen, die voorbij zijn. Om passie, voorbij is: één moment van dol, krankzinnig blind-zijn, van niet meer weten, van alleen willen hebben…’

Harold, zoon van de stokoude mama Otilie, probeert zich bij het zien van haar nu ‘tandeloze mond’ en bevende vingers voor te stelen hoe haar lust haar eens haar minnaar deed ophitsen om haar eigen echtgenoot dood te steken. Hij voelt een diep medelijden met haar. ‘Hij heeft medelijden, de zoon, die weet, en die vermoedt wat hij niet weet, omdat hij kent de ziel van die moeder, hare ziel nu verstompt en verdoft, in de wachting op des lichaams afsterven, maar hare ziel eens van passie, van drift, van liefdevrouw, van kreole, van op één ogenblik geheel de wereld en het leven kunnen vergeten voor één moment van zaligheid of … misschien van haat!’ Tegen het onvermijdelijk afsterven van de passie bestaat geen remedie, maar het Zuiden biedt een ontsnapping naar een volle, gelijkmatige hartstocht: de seksloze Lot Pauw ziet tijdens zijn tamme huwelijksreis hoe zijn zuster Ottilie in Nice het geluk heeft gevonden bij haar Italiaanse vriend Aldo. In het zuiden versterft de passie niet, maar wordt die telkens herboren: ‘”Dus geen afsterving, maar altijd herleving,’ vroeg Lot met een glimlach. ‘Geen afsterving, altijd herleving!’’’

Hoewel hij in 1915 door de oorlog gedwongen was het beloofde land Italië te verlaten en terug te keren naar Den Haag, waar hij als een gevierd schrijver ontvangen zou worden, zou Couperus na Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan geen Haagse romans meer schrijven. Zijn late werk bestaat vooral uit romans en verhalen die zich in het verleden afspelen, het oude Griekenland of de Middeleeuwen, of zijn hervertellingen van Griekse mythen.

Een laatste lange reis naar Nederlands-Indie, China en Japan leerde hem te berusten in de onvermijdelijke vergankelijkheid waarmee hij in zijn Haagse romans nog zo geworsteld had. Vlak voor zijn dood besefte hij dat in het besef van zijn nietigheid juist de bevrijding school: ‘Het heeft mij rust in mijn weemoed en mijn rampzaligheid zeker te weten, dat ik niet beteken, dat mijn werk niet meer is dan het werk van een mier of een spinnetje of een zijdeworm en dat deze wereld met al zijn drukte, cultuur, vooruitgang, achteruitgang, techniek, kunst, wetenschap, godgeleerdheid, wijsbegeerte, atronomie en relatibiteitstheorieen niet meer betekent in het Al dan een molshoop, dan een mierennest in vedl, weide of bos.’

Bas Heijne

share

Rate

Hieronder kunt u uw reactie invullen.  

gegevens worden opgehaald

 
 
 
een klein leven

een klein leven

zo 19 mei 2019 - 15:00
Ruhrfestspiele
Recklinghausen

De voorstelling is toegevoegd aan uw wensenlijst